lto-topsport-lectoraat-cees-vervoorn-klein5

De droom komt steeds meer uit

De droom komt
steeds meer uit

Charles Urbanus

“De kracht van sport is dat het mensen verbindt in een gezamenlijke ambitie. Die ambitie hoeft zich natuurlijk niet altijd te vertalen in winnen, al is dat in de topsport natuurlijk wel een belangrijk doel. Bij sport gaat het niet alleen om hoe je – bijvoorbeeld bij honkbal – de bal raakt, maar ook om hoe je met anderen omgaat. Dat sociale aspect is een belangrijk onderdeel van sport. Een andere kracht van sport is dat het je helpt om je grenzen op te zoeken en te verleggen; je leert het beste uit jezelf te halen, of dat nou fysiek, mentaal of sociaal is.” – Charles Urbanus, oud-honkbalprofessional en manager van het CTO Amsterdam.

Sporters bij het CTO

“Bij het CTO Amsterdam (Centrum voor Topsport en Onderwijs Amsterdam) ben ik verantwoordelijk voor de fulltime programma’s van de nationale sportbonden. Dat doen we landelijk samen met NOC*NSF, de Nederlandse organisatie voor het bevorderen van (top)sport en lokaal samen met de gemeente Amsterdam. Ongeveer de helft van onze programma’s zijn bedoeld voor talentvolle jonge sporters tussen de 16 en19 jaar, die minimaal 20 uur per week trainen. Wij helpen ze bijvoorbeeld met de huisvesting in Amsterdam of bedenken samen met de onderwijspartners hoe ze een opleiding kunnen inpassen in hun drukke sportprogramma. Maar we zorgen ook voor een sportmedisch netwerk van sportartsen, fysiotherapeuten, mentaal begeleiders, diëtisten et cetera.”

Verbinding sport en onderzoek

“Sportwetenschappelijk onderzoek moet natuurlijk niet los staan van de praktijk. Daarom proberen wij samen met het AISS (Amsterdam Institute of Sport Science) toegepast wetenschappelijk onderzoek te verbinden met de praktijk van de topsport. De topsportpraktijk is een prestige- en prestatiecultuur, waarin veel van de sporters wordt gevraagd. De onderzoekers van het AISS begrijpen dat. Ze hebben daarnaast wetenschappelijke kennis in huis, en zijn op de hoogte van de recente ontwikkelingen in de sport en het sportbeleid. Ze beschikken dus over een deskundigheid waar de topsport van kan profiteren. Vroeger stond sportwetenschappelijk onderzoek ver van de sportpraktijk af. Met het AISS is dat gelukkig veranderd.

De coaches van het CTO gebruiken de onderzoeksresultaten van het AISS in hun dagelijkse praktijk van het trainen van talentvolle sporters. Daarnaast kunnen ze ook hun eigen trainingsmethodiek professionaliseren met behulp van het AISS, dat zorgt voor de juiste meetinstrumenten en de correcte toepassing daarvan in de praktijk.”


 

 

 

 

 

 

 

 

 



Toekomst veilig stellen

“Er zijn maar weinig topsporters die kunnen leven van wat ze verdienen als topsporter. En er zijn maar weinig mensen die er dusdanig veel geld mee verdienen dat ze hun toekomst veilig kunnen stellen. Dat betekent dat het nodig is om er een opleiding naast te volgen. Daarnaast is topsport een vrij beperkte bezigheid, waardoor het voor veel topsporters een fantastische afwisseling is om ook een studie te volgen en nieuwe inzichten te krijgen. Dat is goed voor hun sporttechnische ontwikkeling en ze worden er betere mensen van; ze kunnen beter functioneren in de maatschappij. Een studie afronden biedt meer mogelijkheden om de toekomst veilig te stellen. Een topsportcarrière houdt over het algemeen wel op na twee olympische periodes; de meeste mensen zijn dan rond de 30 en moeten ineens de ‘gewone’ maatschappij in. Met een goed diploma op zak hebben ze meer mogelijkheden om ook na hun sportcarrière goed terecht te komen.”

Eigen ervaring als topsporter

“Ik heb zelf mijn carrière als topsporter gecombineerd met een opleiding voor leraar lichamelijke opvoeding. Dat was heel lastig. In die tijd hadden we vaak wereldkampioenschappen in Zuid-Amerika, maar daar kreeg ik geen vrij voor van de opleiding. Ik heb er heel bewust voor gekozen om prioriteit aan mijn studie te geven. Daar heb ik geen spijt van gekregen en na verloop van tijd kon ik honkbal combineren met een baan als leraar lichamelijke opvoeding.

De flexibiliteit die topsporters nu ervaren als ze hun sport met een opleiding willen combineren, is niet te vergelijken met hoe het vroeger was. De HvA, maar ook andere instellingen in Amsterdam, komen topsporters nu veel meer tegemoet.

Flexibiliteit betekent natuurlijk niet dat je moet tornen aan de kwaliteit van het onderwijs. Waar het om gaat is dat de topsporters, met behoud van kwaliteit, niet per se het reguliere programma hoeven volgen. Geef ze bijvoorbeeld de mogelijkheid om vervangende opdrachten te doen of toetsen uit te stellen.

Vanuit mijn eigen ervaring probeer ik jonge mensen, coaches en nationale sportbonden te overtuigen van het belang om topsport te combineren met een opleiding. Daarbij moet je ook realistisch zijn. De topsport is tegenwoordig zo geëvalueerd dat sporters soms, bijvoorbeeld in een olympisch of pre-olympisch jaar, even uit hun studie moeten stappen. Ze moeten zich dan echt even op hun prestatie concentreren. Maar hoe mooi is het dan als ze de mogelijkheid hebben om het jaar daarna weer wat intensiever met hun opleiding bezig te gaan?”

Een pittige uitdaging

“Sinds ik zo’n 20 jaar geleden in de topsportbegeleiding terecht kwam, is er veel veranderd. Vroeger droomden Cees Vervoorn en ik van een systeem dat topsporters optimaal begeleidt, zodat ze echt het beste uit zichzelf kunnen halen.

Die droom komt steeds meer uit. Maar je moet het beeld van topsport niet romantiseren. De topsportprogramma’s zijn inmiddels veel intensiever geworden. Ik deed bijvoorbeeld tot vier keer in de week georganiseerd aan honkbal. Nu zijn de sporters minimaal 20 uur in de week bezig met sport; dat zijn twee trainingseenheden op een dag. Wanneer de roeiers en zwemmers zich voorbereiden voor wedstrijden hebben ze soms trainingsweken van 32 uur.

De druk op de sporters, zowel fysiek als mentaal, is daarmee veel groter geworden. Topsporter zijn is een ongelooflijk pittige uitdaging. Dat geldt trouwens ook voor bijvoorbeeld toneelspelers, dansers of musici die de beste willen zijn. De sporters komen vaak al als 16-jarigen naar het CTO. Ze volgen daar een fulltime programma, moeten tegelijkertijd wennen aan het volwassen worden, eigen verantwoordelijkheid nemen en zelfstandig wonen in Amsterdam. En dan moeten ze goed presteren en gezond blijven. De olympische sporters worden ook nog eens afgerekend op hun eindresultaten. Sebastiaan Verschuren, die zwemmer is in het CTO-programma, kan bijvoorbeeld niet voor de tweede keer achtste worden op een wereldkampioenschap zonder dat de kranten daar vol van staan. De sporters staan dus onder enorme druk. En dat hoort er ook wel bij als je topsporter bent. Maar je redt het niet zonder de juiste ondersteuning. Gelukkig is de kwaliteit van de begeleiding van die sporters enorm verbeterd – door de ondersteuning van het CTO, NOC*NSF en de samenwerking met het AISS. Daar hoort ook een flexibel onderwijssysteem bij. Het is heel prettig om te zien dat ook daarin veel is veranderd in Amsterdam in de afgelopen 20 jaar. Niet alleen bij de HvA, maar ook op het Caland Lyceum, het ROC van Amsterdam en bij de twee Amsterdamse universiteiten UvA en VU.”

 

 

Jaaroverzicht 2014
Jaaroverzicht 2014

Logo